Aansprakelijkheid van de werkgever als gevolg van onderbezetting

In februari 2022 begon een man aan de BBL-opleiding Maatschappelijke Zorg en Verzorgende-IG bij Ipse de Bruggen. Tijdens zijn stage werkte hij op Acacia woning 4, waar cliënten met gedragsproblemen wonen. Op 21 juni 2022 ging het mis: door onderbezetting stond de leerling er vrijwel alleen voor. Bij het begeleiden van een onrustige cliënt sprong hij over een bed om haar te ontwijken en scheurde daarbij beide enkelbanden. Hij stelde Ipse de Bruggen aansprakelijk, maar de werkgever wees de claim af.

 

Het geschil
De BBL-leerling stapte daarom naar de rechter omdat hij vond dat Ipse de Bruggen wél aansprakelijk was voor de gevolgen van het ongeval, op grond van artikel 7:658 BW, nu hij schade had opgelopen bij de uitoefening van zijn werkzaamheden.

 

Daarbij heeft Ipse de Bruggen volgens de BBL-leerling niet voldaan aan haar zorgplicht als werkgever. Volgens hem was er op de dag van het ongeval onderbezetting: er had een team van twee ervaren uitzendkrachten plus hem als leerling moeten zijn, maar er was slechts één onbekende uitzendkracht aanwezig. Daardoor kwam alle eindverantwoordelijkheid op de leerling te liggen. Door de onderbezetting moest hij taken uitvoeren die niet bij zijn functie hoorden en stond hij er alleen voor toen een cliënt agressief werd.

Ipse de Bruggen stelt echter wel aan haar zorgplicht voldaan te hebben: zij vindt dat de schade is ontstaan door een situatie die zij niet had kunnen voorzien.

 

De beoordeling
Volgens de rechter staat vast dat de BBL-leerling schade heeft geleden tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden. Dat betekent dat Ipse de Bruggen in principe aansprakelijk is, tenzij zij kan aantonen dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan. Als werkgever moet Ipse de Bruggen dus aantonen – en zo nodig bewijzen – dat zij alle redelijke maatregelen heeft genomen en de juiste instructies heeft gegeven om de schade te voorkomen. De kantonrechter oordeelde dat Ipse de Bruggen hierin niet is geslaagd en lichtte dit als volgt toe:

 

  1. Onvoldoende gekwalificeerd personeel
    Op de dag van het ongeval had Ipse de Bruggen onvoldoende gekwalificeerd personeel ingezet. Het was bekend dat Acacia 4 een complexe groep cliënten had, waaronder één cliënt die één-op-één begeleiding nodig had. Toch startte de dienst met slechts twee medewerkers: de BBL-leerling, die nog in opleiding was, en een uitzendkracht die voor het eerst op deze woning werkte. Geen van beiden was daarmee volledig gekwalificeerd om de verantwoordelijkheid voor de groep te dragen.

 

  1. Ontoereikende tools
    Daarnaast had Ipse de Bruggen wel instructies en middelen beschikbaar gesteld, zoals een portofoon, pieper en PAT-trainingen, maar deze waren onvoldoende om de risico’s volledig te beheersen. Door het onverwachte personeelstekort en de beperkte ervaring van de uitzendkracht kon de BBL-leerling de instructies niet goed opvolgen. Dit verstoorde de dagelijkse routine en vergrootte de onrust bij de cliënten. De werkgever mocht niet verwachten dat een medewerker die nog in opleiding was zelfstandig alle risico’s kon dragen met de hem beschikbare tools.

 

Conclusie
Gezien de gevaarlijke aard van de werkzaamheden en het feit dat het ongeval voortkwam uit een situatie die inherent was aan de functie van de BBL-leerling, stelde de rechter hoge eisen aan de stelplicht van de werkgever. Ipse de Bruggen heeft hier niet aan voldaan en onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij alle noodzakelijke maatregelen had genomen om de veiligheid van werknemers en cliënten te waarborgen. Daarmee heeft zij haar zorgplicht geschonden, en is de aansprakelijkheid toegewezen op grond van artikel 7:658 BW.

 

Heb je zelf schade opgelopen als gevolg van een arbeidsongeval gehad en wil je weten of je werkgever daarvoor aansprakelijk kan worden gesteld? Neem gerust contact op met De Peel Letselschade Advocaten. Wij helpen je graag verder.

 

Close icon
Jeroen
Online
Van harte welkom, ik sta je graag te woord. Kan ik je ergens mee helpen?
WhatsApp